Het Collectief & Katrien Baerts - toelichting

Een Frans programma, met Maurice Ravel, Pierre Boulez en Olivier Messiaen. Wat doet die ene Nederlander er dan tussen, Rob Zuidam? Is het voor de afwisseling? Maar zijn verschijning tussen de eminente Fransen is minder vreemd dan het lijkt. 

Zie de titel van zijn liedcycus: Serres Impies, gebaseerd op teksten uit een iconische Franse roman, À rebours van Joris-Karl Huysmans uit 1894. Daarmee toont Zuidam zich voor het moment Fransman. 

Boulez en Messiaen stonden nog aan het begin van hun carrière toen ze respectievelijk hun Fluitsonatine en Quatuor pour la fin du temps schreven. 

Boulez was pas 21, de sonatine een van zijn eerste werken. Messiaen telde nog geen 33 jaar toen het Quatuor ontstond – waarschijnlijk zijn bekendste, in ieder geval meest gespeelde werk. De twee stukken liggen in tijd slechts vijf jaar uit elkaar en reageren, hoewel heel verschillend, op de Tweede Wereldoorlog. Chansons madécasses is juist een van de laatste composities van Ravel. Hij zou nog zeker tien jaar leven maar een zenuwziekte maakte hem het componeren in toenemende mate onmogelijk. 

Ten tijde van de Chansons madécasses, in 1926, kende hij zijn trieste lot nog niet en beraadde hij zich juist op een ‘nieuwe stijl’, die hij als een ‘keerpunt’ beschouwde. Eerder concentreerde Ravel zich vooral op het aspect harmonie, nu werd de melodie belangrijk. En inderdaad zijn de vocale lijnen hier bijna onkarakteristiek te noemen voor Ravel wiens stijl doorgaans afstandelijk en objectief was. 

Interessant is ook zeker dat we – hoe Frans de algehele noemer ook mag zijn en hoezeer, afgezien van Zuidam, de muziek uit een beperkte periode is – ons tijdens dit programma in heel uiteenlopende werelden begeven. 

Zo componeerde Messiaen zijn Quatuor in mensonterende omstandigheden: in een krijgsgevangenenkamp. Hij reageert met poëzie en met (hemelse) visioenen. Zuidam verkeert juist in een decadente wereld. À rebours (Tegen de keer), de tekstuele basis van Serres Impies, was de bijbel van de decadentie. Karigheid, armoede bij Messiaen maar juist overvloed, oververhitting, ‘te veel’ bij Zuidam; ‘goddeloze broeikassen’, zoals de vertaalde titel luidt.

‘Deze is afkomstig uit een passage [...] waarin Huysmans de gestalte van Salomé op een schilderij van Gustave Moreau beschrijft als ‘een grote venerische bloem, opgeschoten uit een heiligschennend zaaibed en opgekweekt
in broeikassen van goddeloosheid’. Toch mag er tussen dit puur zinnelijke van Zuidam en het bovenzinnelijke van Messiaen ook een verband worden gezien. 

Maurice Ravel - Chansons madécasses 

‘Een soort kwartet met de stem als belangrijkste instrument.’ Ravel schreef de Chansons madécasses voor de ongebruikelijke combinatie mezzosopraan (of bariton), fluit, cello en piano.

Deze was hem min of meer voorgeschreven door Elizabeth Sprague Coolidge, een rijke Amerikaanse mecenas die Ravel het werk in opdracht gegeven had. Ravel koos zelf de teksten uit de gelijknamige bundel uit 1787 van de Creoolse dichteres Évariste Désiré de Forges de Parny. 

Deze ‘Liederen van Madagaskar’ vormen een schreeuw om bevrijding van slavernij, uitbuiting en kolonialisme, zoals die op het Afrikaanse eiland Madagaskar schering en inslag waren. 

Nahandove beschrijft de erotische verleiding van een inboorlinge. Aoua! waarschuwt voor de misleidende gevaarlijke blanken; ‘Aoua’ zelf is niets minder dan een gil. Ter begeleiding klinkt dissonant pianogeknars en tamtam-imitaties met doorklinkende pianotonen en lage fluit. 

Een lied dat stof deed opwaaien; bij een uitvoering in 1925 in de Salle Majestic in Parijs vonden sommigen de teneur ervan ongepast in verband met de onlusten in Frans-Marokko. Het slot is illustratief bitter: ‘Mefiez-vous les blancs’ (vertrouw de blanken niet). Terugkerend naar de exotiek van Nahandove is Il est doux, vol erotische verlokkingen. 

Ravel vond deze drie liederen zijn beste.

Rob Zuidam - Serres Impies 

Zoals gezegd, baseerde Robert Zuidam zich voor Serres Impies op À Rebours van Huysmans. 

Zuidam licht toe: ‘De roman gaat over een vermogend hedonist, die zich in de luwte buiten Parijs terugtrekt om zich geheel over te geven aan het vervullen van zijn extravagante droomwensen. 

Zuidam: ‘Huysmans behoort tot mijn favoriete auteurs vanwege een milde humor en distantie.’ Een deel van de roman is gewijd aan uitbundige beschrijvingen van de exotische vegetatie die door deze decadente kluizenaar wordt verzameld, planten die door hun buitenissige vormgeving eerder kunstmatig dan natuurlijk overkomen en zowel een erotisch als een nachtmerrieachtig karakter dragen. Het zijn deze teksten waarop Serres Impies zich concentreert. [...]

Huysmans behoort tot mijn favoriete auteurs, vanwege zijn excessieve, barokke stijl, maar ook vanwege een milde humor en distantie die door zijn teksten heen schijnt en die in de verte aan Elsschot doet denken. ‘Serres Impies [...] beschrijft nauwgezet de schoonheid, verwelking, ziekelijkheid en het uiteindelijke verval van deze buitenissige flora. De vervoering die dit teweeg brengt, in combinatie met de bedompte broeikaslucht, doet het vertellende personage in een sluimering belanden die overgaat in een nachtmerrie, waarin een bloederige syfilisbloem haar verzwelgt. [...] Schoonheid en het monsterlijke zijn bij Huysmans op ingenieuze wijze met elkaar verweven. Het slot van het stuk, een kort gebed, is tevens de slotzin van de roman. Om niet aan neurotische aandoeningen ten onder te gaan, moet op last van de dokter het kluizenaarschap worden opgegeven en een terugkeer naar Parijs worden overwogen.’

Pierre Boulez - Sonatine voor fluit en piano 

Het einde als nieuw begin; toen de 20-jarige Pierre Boulez in 1945 met componeren begon, wist hij dat op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog niets meer kon zijn wat het was geweest.

‘Ik wilde alles in twijfel trekken, de erfenis doorstrepen en met een ‘tabula rasa’ bij het nulpunt beginnen.’ Begrijpelijk. Daarmee had in ieder geval de laatromantiek afgedaan; Boulez werd een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het door Arnold Schönberg ontworpen componeersysteem van het serialisme. Componeren met een van te voren vastgestelde reeks van twaalf tonen, op verschillende wijzen te bewerken (in omkering, kreeftgang, et cetera). 

Boulez trok die methode virtuoos door naar alle parameters van de muziek: melodie, harmonie, ritmiek, klankkleur en dynamiek. Boulez werd een meester van de (uiterst complexe) klank. In die vroege jaren valt ook de Sonatine voor fluit en piano. Hij schreef hem op verzoek van Jean-Pierre Rampal. 

Opmerkelijk genoeg heeft de beroemde fluitist hem nooit gespeeld; hij was er volstrekt niet mee ingenomen. Een kort stuk, maar zeer energiek, met enorme melodische sprongen, scherpe contrasten in ritmiek en tempo, en een soort agressie die aanhoudt tot het slot – of misschien zelfs tot na het slot. Boulez zelf verklaarde dat de sonatine veel te danken heeft aan Schönbergs Erste Kammersymphonie. Hieraan ontleende hij in ieder geval het principe van de ‘metamorfose van één enkele idee’. Dit ‘afkijken’ bij Schönberg illustreert maar weer, dat je nooit helemaal met de geschiedenis kunt breken. En dat wist de altijd scherpzinnig formulerende Boulez zelf ook wel: ‘Als je de geschiedenis niet kent, heb je een afwijzende houding omdat je haar niet kent.

Sterke beschavingen wisten en vergaten, en absorbeerden alleen het essentiële. Het is heel makkelijk om luchthartig met het verleden om te gaan als je het niet kent. Maar de dingen wreken zich: als je de geschiedenis niet kent, zal de geschiedenis jou niet kennen.’

Olivier Messiaen - Quatuor pour la fin du temps 

De beschaving stond er op een laag pitje. Het was in Silezië, een kleine vijftig kilometer ten oosten van Dresden. Hartje winter, stervenskoud, nog kouder dan anders. Het was december 1940 en het was oorlog. 

Dertigduizend krijgsgevangenen – voornamelijk Fransen maar ook Polen en Belgen – zaten bij elkaar opgesloten in grijshouten barakken. De omstandigheden waren erbarmelijk. Ze waren ondervoed; het dagelijkse dunne brouwsel waarin wat aardappelen en kool dreven hield hen nauwelijks op de been. En dan was er de verveling. Ze hadden niets te doen. ’s Ochtends deden ze de karweitjes die de kampcommandanten hen hadden opgedragen en dan... niets. Een voordeel wellicht dat de dagen zo kort waren. Een halve schemertoestand. Een wereld buiten de wereld. Een situatie buiten tijd en ruimte. 

De 31-jarige componist Olivier Messiaen – Duits krijgsgevangene ‘no. 35333’ sinds hij een half jaar daarvoor bij Parijs was opgepakt, toen hij op de fiets met aan het stuur twee zware tassen vol partituren naar Zuid-Frankrijk wilde vluchten – werd het er vreemd te moede. Zonder enig houvast in het bestaan, door honger en kou verzwakt, kwam hij in een toestand van halve hallucinatie terecht. Bij het ontwaken: plotseling paars en groen aan de hemel, in felle tinten! Wat was dat?! De gelovige Messiaen moest opeens denken aan hoe in de Openbaring van Johannes het Laatste Oordeel wordt beschreven. Het was of het Einde der Tijden was aangebroken. 

Dat kon natuurlijk niet. Het is de aurora borealis, het Noorderlicht, vertelde een medegevangene hem. Maar toch – leek hij zich hier, in een eindeloos durende oorlog, van alles verlaten, het land eentonig van de sneeuw, in een wereld die stilstond, niet op een statisch eindpunt te bevinden?

Het componeren

Er bestond in kamp Stalag VIIIA in Görlitz één vorm van afleiding. De Duitse commandant begreep wie hij met Olivier Messiaen in huis had. Hij had bewondering voor de al beroemde jonge componist. Hij gaf hem wanneer hij erom vroeg papier, potlood en gum. En hij stond toe dat er een oude piano het kamp in kwam en Messiaen samenspeelde met een violist, een klarinettist en een cellist. De commandant kwam zelfs naar hun repetities luisteren. 

Messiaen schreef zijn Quatuor om te ontsnappen aan de sneeuw, de oorlog en zichzelf. Die winter schreef Messiaen zijn Quatuor pour la fin du temps. Wanneer het ochtendwerk achter de rug was, trok hij zich terug in een hoekje van de barak van de kamppriester. Acht delen telde het nieuwe werk dat bijna een uur zou duren. Voor het aangrijpende vijfde deel, Louange à l’éternité de Jésus (Lofzang op de eeuwigheid van Jezus) deed hij, afgaand op zijn geheugen, een beroep op een ouder werk, de Fêtes des belles eaux met een tekst uit de Openbaring: ‘Hij die drinkt van het water dat ik hem zal geven zal nooit meer dorstig zijn: het water dat ik hem zal geven zal in hem in een bron veranderen die hem het eeuwige leven schenkt.’

De eerste uitvoering

De eerste uitvoering was op 15 januari 1941 in barak 19A. ‘Het kamp lag in een lijkwade van sneeuw. [...] De vier musici speelden op kapotte instrumenten: de cello van Étienne Pasquier had maar drie snaren, de toetsen van mijn piano bleven hangen [...]. Het was op deze piano, met mijn drie medemusici, erg vreemd gekleed, ikzelf in een flessengroen uniform van een Tsjechische soldaat, gescheurd, op schoenen met houten zolen [...] dat ik mijn Quatuor [uitvoerde], voor een publiek van vijfduizend man waaronder mensen uit alle lagen van de samenleving: boeren, arbeiders, intellectuelen, beroepsmilitairen, priesters, hospiks [militaire ziekenverzorgers],’ zo herinnerde Messiaen zich later de gebeurtenis. ‘Ik schreef het Quatuor om te ontsnappen aan de sneeuw, de oorlog, de gevangenschap en aan mijzelf [...] Te midden van dertigduizend gevangenen was ik misschien de enige mens die géén gevangene was.’ 

Het stuk betekende voor Messiaen een mentale redding. Maar meer dan dat: kort daarop werden hij en twee van zijn medemusici vrijgelaten (de klarinettist moest blijven omdat hij joods was). ‘Waarom mogen we naar huis?’ vroeg Messiaen verbaasd. ‘Jullie zijn musici en jullie hebben geen geweren,’ was het antwoord.

Tekst toelichting: Stephen Westra, in opdracht van Muziekgebouw aan ’t IJ