All about that bass / een interview met Nils Vermeulen

Voor Ha’fest, het jaarlijkse festival van de Handelsbeurs, nodigt contrabassist Nils Vermeulen de New Yorkse bassist en artistiek multi-talent William Parker uit. Voor Vermeulen is het een spannende ontmoeting met een lichtend voorbeeld, voor Parker de gelegenheid om met jong talent van gedachten te wisselen, een kans die hij nooit laat liggen.

We kennen Nils Vermeulen als contrabassist en basgitarist in uiteenlopende ensembles zoals Kabas, Jukwaa, Laughing Bastards, Peedved en Midnight Blue Birds. 

Minder bekend is dat hij zijn muzikale carrière begon als instrumentenbouwer. Van daaruit groeide zijn fascinatie voor de contrabas. En de interesse in jazz en geïmproviseerde muziek. 

Welke jazzcontrabassisten trokken je aandacht?
Charles Mingus. Die maakte indruk. Zijn fysieke manier van spelen, heerlijk. Maar ook Charlie Haden. Een ander temperament, maar hij had ook een heel fysieke opvatting van de contrabas. 

Hij zei graag dat hij als een regenwoud wilde klinken, dat hij het hout van zijn bas wilde laten
doorklinken. Dat vind ik mooi, dat aardse, die diepere grond. Geen nodeloze versterking maar de pure, eerlijke klank van de contrabas.

Dat is ook jouw focus geworden. Hoe zou je omschrijven wat je drijft?
Ik wil dat instrument door en door kennen en beheersen. Ik wil dat ik elk geluid dat in mijn hoofd opduikt, kan reproduceren op de contrabas. Het moet een even natuurlijk verlengstuk van mezelf worden als de menselijke stem. 

Daarom schrijf ik ook etudes om mezelf uit te dagen. Dat moet uiteindelijk uitmonden in een soloplaat, maar die wil ik pas maken als ik er echt klaar voor ben. 

Gebruik je daarbij extra attributen zoals een Peter Jacquemyn doet? 
Nee, mij gaat het om de intrinsieke kracht en akoestische kwaliteiten van de contrabas. Dat is al een hele uitdaging en een rijke wereld. Ik manipuleer het instrument natuurlijk wel, bijvoorbeeld door het percussief te gebruiken of te spelen met de lange snaarlengtes.  

Zo kan ik twee, drie of vier octaven hoger spelen of twee octaven tegelijk laten klinken. Technisch is dat een hele uitdaging, je moet urenlang oefenen, bijvoorbeeld op boogcontrole om te zorgen dat je de snaar over de hele boogstreek op exact dezelfde plaats raakt.

Is dat een soort idealisme? Je wil iets bereiken dat bijna utopisch is?   
Ja, noem dat gerust idealistisch. Ik wil alvast nooit choqueren, ik ben altijd op zoek naar een mooi harmonisch geheel en een heel precieze intonatie. Het moet tot de verbeelding spreken.

Voor Ha’fest werk je nu samen met William Parker, een levende legende. Vanwaar die keuze? 
Parker is een zoekende natuur, hij legt een grote nieuwsgierigheid aan de dag in zijn spel, hij wil altijd dingen bereiken die je niet meteen kunt verklaren. Hij woont in een klankwereld die hij intuïtief steeds verder exploreert. 

Dat is een mooie, bescheiden houding. Als improvisator besef je dat er enorm veel dingen in de lucht hangen die je er kan uitplukken door je intuïtie extreem te ontwikkelen.

Jullie spelen twee sets. Hoe gaan jullie dat aanpakken? 
Dat weten we nog niet. We krijgen vooraf enkele dagen de tijd om het verhaal te ontwikkelen. Zonder twijfel zullen we samen improviseren. 

Maar nog belangrijker is dat we veel zullen praten. William Parker weet enorm veel van de klankwereld van de contrabas. Daar wil ik het met hem over hebben. En dat zal ons inspireren. Ik ben zelf erg benieuwd.

Ha'fest - dag 2 - za 18 mei - vanaf 15u
Lees meer over deze tweede festivaldag, met o.a. William Parker, HAST (cd-release), Endangered Blood, De Kift Combo,...

Een interview van Didier Wijnants

Gepubliceerd op di 30.04.19